|
Ante Divinum officium |
Incipit
secreto
Pater noster, qui es in cælis, sanctificétur nomen tuum: advéniat regnum tuum: fiat volúntas tua, sicut in cælo et in terra. Panem nostrum quotidiánum da nobis hódie: et dimítte nobis débita nostra, sicut et nos dimíttimus debitóribus nostris: et ne nos indúcas in tentatiónem: sed líbera nos a malo. Amen.
Ave María, grátia plena; Dóminus tecum: benedícta tu in muliéribus, et benedíctus fructus ventris tui Jesus. Sancta María, Mater Dei, ora pro nobis peccatóribus, nunc et in hora mortis nostræ. Amen.
Deinde, clara voce, dicitur Versus:
℣. Deus ✠ in adjutórium meum inténde.
℟. Dómine, ad adjuvándum me festína.
Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Allelúja.
|
Incipit
silently
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, en leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van het kwade. Amen.
Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U. Gezegend zijt Gij boven alle vrouwen, en gezegend is de Vrucht van uw lichaam, Jezus. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, arme zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.
Thereafter, with hearable voice, the Versicle is said:
℣. God, ✠ wees bereid mij te helpen.
℟. Heer, snel mij te hulp.
Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen Amen.
Alleluia.
|
Psalmi {Psalmi & antiphonæ Votiva}
Ant. Ecce sacérdos magnus, * qui in diébus suis plácuit Deo, et invéntus est justus.
Psalmus 109 [1]
109:1 Dixit Dóminus Dómino meo: * Sede a dextris meis:
109:1 Donec ponam inimícos tuos, * scabéllum pedum tuórum.
109:2 Virgam virtútis tuæ emíttet Dóminus ex Sion: * domináre in médio inimicórum tuórum.
109:3 Tecum princípium in die virtútis tuæ in splendóribus sanctórum: * ex útero ante lucíferum génui te.
109:4 Jurávit Dóminus, et non pœnitébit eum: * Tu es sacérdos in ætérnum secúndum órdinem Melchísedech.
109:5 Dóminus a dextris tuis, * confrégit in die iræ suæ reges.
109:6 Judicábit in natiónibus, implébit ruínas: * conquassábit cápita in terra multórum.
109:7 De torrénte in via bibet: * proptérea exaltábit caput.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Ecce sacérdos magnus, qui in diébus suis plácuit Deo, et invéntus est justus.
|
Psalmi {Psalmi & antiphonæ Votiva}
Ant. Behold an high priest, * who in his days pleased God, and was found righteous.
Psalmus 109 [1]
109:1 De Heer sprak tot mijn Heer: * Zit aan mijn rechterhand,
109:1 Totdat Ik uw vijanden maak * tot een rustbank voor uw voeten.
109:2 De Heer zal de scepter van uw macht doen uitgaan van Sion: * Heers te midden van uw vijanden.
109:3 Aan U de zegepraal op de dag van uw kracht in heilige luister; * uit mijn schoot heb Ik U vóór de morgenster voortgebracht.
109:4 De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: * Gij zijt priester in eeuwigheid naar de wijze van Melchisedech.
109:5 De Heer aan uw rechterhand * zal op de dag van zijn toorn de koningen verpletteren.
109:6 Hij zal de volkeren oordelen, hun ondergang voltrekken, * hun hoofden verpletteren over geheel de aarde.
109:7 Uit een beek zal Hij drinken op zijn tocht; * daarom zal Hij fier zijn hoofd verheffen.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Behold an high priest, who in his days pleased God, and was found righteous.
|
Ant. Non est invéntus * símilis illi, qui conserváret legem Excélsi.
Psalmus 110 [2]
110:1 Confitébor tibi, Dómine, in toto corde meo: * in consílio justórum, et congregatióne.
110:2 Magna ópera Dómini: * exquisíta in omnes voluntátes ejus.
110:3 Conféssio et magnificéntia opus ejus: * et justítia ejus manet in sǽculum sǽculi.
110:4 Memóriam fecit mirabílium suórum, miséricors et miserátor Dóminus: * escam dedit timéntibus se.
110:5 Memor erit in sǽculum testaménti sui: * virtútem óperum suórum annuntiábit pópulo suo:
110:7 Ut det illis hereditátem géntium: * ópera mánuum ejus véritas, et judícium.
110:8 Fidélia ómnia mandáta ejus: confirmáta in sǽculum sǽculi, * facta in veritáte et æquitáte.
110:9 Redemptiónem misit pópulo suo: * mandávit in ætérnum testaméntum suum.
110:9 (fit reverentia) Sanctum, et terríbile nomen ejus: * inítium sapiéntiæ timor Dómini.
110:10 Intelléctus bonus ómnibus faciéntibus eum: * laudátio ejus manet in sǽculum sǽculi.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Non est invéntus símilis illi, qui conserváret legem Excélsi.
|
Ant. None was found like unto him, * to keep the Law of the Most High.
Psalmus 110 [2]
110:1 Ik wil U loven, o Heer, uit geheel mijn hart, * in de raadskring der vromen en in de grote vergadering.
110:2 Groot zijn de werken des Heren, * berekend op al zijn wilsbesluiten.
110:3 Heerlijkheid en pracht omstralen zijn werken, * zijn gerechtigheid houdt stand in de eeuwen der eeuwen.
110:4 Hij heeft een gedachtenis gesticht voor zijn wonderwerken, de barmhartige en meedogende Heer; * spijs gaf Hij aan die Hem vrezen.
110:5 Gedachtig blijft Hij zijn verbond in eeuwigheid; * de kracht van zijn werken heeft Hij aan zijn volk getoond.
110:7 Door hun te schenken het erfdeel der heidenen; * de werken zijner handen zijn trouw en gerechtig.
110:8 Standvastig zijn al zijn geboden, vastgesteld voor altijd en eeuwig, * gevestigd op waarheid en recht.
110:9 Verlossing heeft Hij aan zijn volk gebracht; * zijn verbond voor eeuwig gevestigd.
110:9 (buig het hoofd) Heilig en ontzagwekkend is zijn Naam; * het begin van de wijsheid is de vreze des Heren.
110:10 Waarlijk wijs zijn allen, die ze beoefenen; * Hij zij geprezen in eeuwigheid.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. None was found like unto him, to keep the Law of the Most High.
|
Ant. Ideo jurejurándo * fecit illum Dóminus créscere in plebem suam.
Psalmus 111 [3]
111:1 Beátus vir, qui timet Dóminum: * in mandátis ejus volet nimis.
111:2 Potens in terra erit semen ejus: * generátio rectórum benedicétur.
111:3 Glória, et divítiæ in domo ejus: * et justítia ejus manet in sǽculum sǽculi.
111:4 Exórtum est in ténebris lumen rectis: * miséricors, et miserátor, et justus.
111:5 Jucúndus homo qui miserétur et cómmodat, dispónet sermónes suos in judício: * quia in ætérnum non commovébitur.
111:7 In memória ætérna erit justus: * ab auditióne mala non timébit.
111:7 Parátum cor ejus speráre in Dómino, confirmátum est cor ejus: * non commovébitur donec despíciat inimícos suos.
111:9 Dispérsit, dedit paupéribus: justítia ejus manet in sǽculum sǽculi, * cornu ejus exaltábitur in glória.
111:10 Peccátor vidébit, et irascétur, déntibus suis fremet et tabéscet: * desidérium peccatórum períbit.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Ideo jurejurándo fecit illum Dóminus créscere in plebem suam.
|
Ant. Therefore the Lord assured him * by an oath that He would multiply his seed among His people.
Psalmus 111 [3]
111:1 Gelukkig de man, die de Heer vreest, * en in zijn geboden al zijn behagen schept.
111:2 Zijn nakomelingschap zal machtig zijn op aarde, * want het geslacht der vromen wordt gezegend.
111:3 Roem en rijkdom zijn in zijn huis, * en zijn gerechtigheid duurt eeuwig voort.
111:4 Voor de vromen straalt in de duisternis een licht op: * de Barmhartige, de Meedogende en Rechtvaardige.
111:5 Gelukkig de mens, die zich ontfermt en te leen geeft, en zijn woorden wikt in het gericht; * hij zal niet wankelen in eeuwigheid.
111:7 In eeuwig aandenken blijft de vrome; * voor geen kwade tijding heeft hij te vrezen.
111:7 Vast staat zijn hart in vertrouwen op God, zijn hart is onwrikbaar; * hij zal niet wankelen, totdat hij de vijand aan zijn voeten ziet liggen.
111:9 Mild deelt hij uit aan de armen, zijn gerechtigheid duurt eeuwig voort; * in luister verheft zich zijn hoorn.
111:10 De zondaar ziet het en toornt; hij knarst op de tanden, terwijl de nijd hem verteert, * maar de hoop der bozen zal vergaan.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Therefore the Lord assured him by an oath that He would multiply his seed among His people.
|
Ant. Sacerdótes Dei, * benedícite Dóminum: servi Dómini, hymnum dícite Deo. Allelúja.
Psalmus 112 [4]
112:1 Laudáte, púeri, Dóminum: * laudáte nomen Dómini.
112:2 (fit reverentia) Sit nomen Dómini benedíctum, * ex hoc nunc, et usque in sǽculum.
112:3 A solis ortu usque ad occásum, * laudábile nomen Dómini.
112:4 Excélsus super omnes gentes Dóminus, * et super cælos glória ejus.
112:5 Quis sicut Dóminus, Deus noster, qui in altis hábitat, * et humília réspicit in cælo et in terra?
112:7 Súscitans a terra ínopem, * et de stércore érigens páuperem:
112:8 Ut cóllocet eum cum princípibus, * cum princípibus pópuli sui.
112:9 Qui habitáre facit stérilem in domo, * matrem filiórum lætántem.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Sacerdótes Dei, benedícite Dóminum: servi Dómini, hymnum dícite Deo. Allelúja.
|
Ant. O all ye Priests of God, * bless ye the Lord O all ye servants of the Lord, sing praises unto our God.
Psalmus 112 [4]
112:1 Looft de Heer, gij, zijn dienaren, * looft de Naam des Heren.
112:2 (buig het hoofd) De Naam des Heren zij geprezen, * van nu af tot in eeuwigheid.
112:3 Van de opgang der zon tot haar ondergang * zij de Naam des Heren geprezen!
112:4 Hoog verheven is de Heer boven alle volkeren, * en boven de hemelen schittert zijn heerlijkheid.
112:5 Wie is gelijk aan de Heer, onze God, die in de hoge woont, * en nederziet op het geringe in de hemel en op aarde?
112:7 Die de behoeftige opricht uit het stof, * en de arme uit het slijk opheft.
112:8 Om hem een plaats te geven onder de vorsten, * onder de vorsten van zijn volk.
112:9 Die de onvruchtbare doet wonen in haar huis, * als blijde moeder van kinderen.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. O all ye Priests of God, bless ye the Lord O all ye servants of the Lord, sing praises unto our God.
|
Ant. Serve bone * et fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
Psalmus 131 [5]
131:1 Meménto, Dómine, David, * et omnis mansuetúdinis ejus:
131:2 Sicut jurávit Dómino, * votum vovit Deo Jacob:
131:3 Si introíero in tabernáculum domus meæ, * si ascéndero in lectum strati mei:
131:4 Si dédero somnum óculis meis, * et pálpebris meis dormitatiónem:
131:5 Et réquiem tempóribus meis: donec invéniam locum Dómino, * tabernáculum Deo Jacob.
131:6 Ecce, audívimus eam in Éphrata: * invénimus eam in campis silvæ.
131:7 Introíbimus in tabernáculum ejus: * adorábimus in loco, ubi stetérunt pedes ejus.
131:8 Surge, Dómine, in réquiem tuam, * tu et arca sanctificatiónis tuæ.
131:9 Sacerdótes tui induántur justítiam: * et sancti tui exsúltent.
131:10 Propter David, servum tuum, * non avértas fáciem Christi tui.
131:11 Jurávit Dóminus David veritátem, et non frustrábitur eam: * De fructu ventris tui ponam super sedem tuam.
131:12 Si custodíerint fílii tui testaméntum meum, * et testimónia mea hæc, quæ docébo eos:
131:12 Et fílii eórum usque in sǽculum, * sedébunt super sedem tuam.
131:13 Quóniam elégit Dóminus Sion: * elégit eam in habitatiónem sibi.
131:14 Hæc réquies mea in sǽculum sǽculi: * hic habitábo quóniam elégi eam.
131:15 Víduam ejus benedícens benedícam: * páuperes ejus saturábo pánibus.
131:16 Sacerdótes ejus índuam salutári: * et sancti ejus exsultatióne exsultábunt.
131:17 Illuc prodúcam cornu David, * parávi lucérnam Christo meo.
131:18 Inimícos ejus índuam confusióne: * super ipsum autem efflorébit sanctificátio mea.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Serve bone et fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
|
Ant. Good and faithful servant, * enter thou into the joy of thy Lord.
Psalmus 131 [5]
131:1 Blijf David gedenken, o Heer, * en zijn diep-godsdienstige zin,
131:2 Hoe hij de Heer heeft gezworen, * en een gelofte deed aan de God van Jacob:
131:3 "Ik zal mijn woontent niet ingaan, * noch op mijn rustbed mij neerleggen,
131:4 Ik zal aan mijn ogen de slaap niet gunnen, * geen sluimer aan mijn wimpers,
131:5 En geen rust aan mijn slapen, tot ik een rustplaats vinde voor de Heer, * een woontent voor de God van Jacob."
131:6 Want zie, wij hoorden, dat zij [de Ark] in Efrata was, * wij hebben ze gevonden op een open plek in het woud.
131:7 Nu gaan wij zijn woontent binnentreden, * Hem aanbidden op de plaats, waar zijn voeten staan.
131:8 Rijs op dan, o Heer, en treed uw rustplaats binnen, * Gij, en uw heilige Ark.
131:9 En dat uw priesters zich met heiligheid bekleden, * en uw getrouwen jubelen van vreugde.
131:10 Om wille van David, uw dienstknecht, * wijs toch het aanschijn van uw gezalfde niet af.
131:11 De Heer heeft aan David gezworen in zijn trouw, en Hij zal het gestand doen: * "Van de vrucht van uw schoot zal Ik er immer een doen zetelen op uw troon.
131:12 Mits uw zonen mijn Verbond bewaren * en de wetten, die Ik hun zal leren,
131:12 Zullen ook hún zonen voor eeuwig * blijven zetelen op uw troon.
131:13 Want de Heer heeft Sion uitverkoren, * heeft het uitverkoren tot zijn woonplaats.
131:14 Hier is mijn rustplaats voor de eeuwen der eeuwen, * hier wil Ik wonen, want haar heb Ik uitverkoren.
131:15 De weduwen zal Ik er overvloedig zegenen, * de armen met brood verzadigen.
131:16 De priesters zal Ik er met heil bekleden, * en de vromen zullen opspringen van vreugde.
131:17 Daar zal Ik voor David een hoorn doen ontspruiten, * en een lamp ontsteken voor mijn gezalfde.
131:18 Zijn vijanden zal Ik met schaamte overdekken, * op zijn hoofd zal bloeien mijn gewijde kroon."
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Good and faithful servant, enter thou into the joy of thy Lord.
|
Capitulum Hymnus Versus {Votiva}
Sir 44:16-17
Ecce sacérdos magnus, qui in diébus suis plácuit Deo, et invéntus est justus: et in témpore iracúndiæ factus est reconciliátio.
℟. Deo grátias.
Hymnus
Iste Conféssor Dómini, coléntes
Quem pie laudant pópuli per orbem,
Hac die lætus méruit beátas
Scándere sedes.
Qui pius, prudens, húmilis, pudícus,
Sóbriam duxit sine labe vitam,
Donec humános animávit auræ
Spíritus artus.
Cujus ob præstans méritum, frequénter,
Ægra quæ passim jacuére membra,
Víribus morbi dómitis, salúti
Restituúntur.
Noster hinc illi chorus obsequéntem
Cóncinit laudem celebrésque palmas,
Ut piis ejus précibus juvémur
Omne per ævum.
Sit salus illi, decus atque virtus,
Qui, super cæli sólio corúscans,
Tótius mundi sériem gubérnat,
Trinus et unus.
Amen.
℣. Justum dedúxit Dóminus per vias rectas.
℟. Et osténdit illi regnum Dei.
|
Capitulum Hymnus Versus {Votiva}
Sir 44:16-17
Behold an high priest, who in his days pleased God, and was found righteous, and in the time of wrath he was made a propitiation.
℟. God zij dank.
Hymnus
This the confessor of the Lord, whose triumph
Now all the faithful celebrate, with gladness
Erst on this feast-day merited to enter
Into his glory.
Saintly and prudent, modest in behaviour,
Peaceful and sober, chaste was he, and lowly.
While that life’s vigour, coursing through his members,
Quickened his being.
Sick ones of old time, to his tomb resorting,
Sorely by ailments manifold afflicted,
Oft-times have welcomed health and strength returning,
At his petition.
Whence we in chorus gladly do him honour,
Chanting his praises with devout affection,
That in his merits we may have a portion,
Now and forever.
His be the glory, power and salvation,
Who over all things reigneth in the highest,
Earth’s mighty fabric ruling and directing,
Onely and Trinal.
Amen.
℣. The Lord guided the just in right paths.
℟. And showed him the kingdom of God.
|
Canticum: Magnificat {Antiphona Votiva}
Ant. O Doctor óptime, * Ecclésiæ sanctæ lumen, beáte N., divínæ legis amátor, deprecáre pro nobis Fílium Dei.
Canticum B. Mariæ Virginis
Luc. 1:46-55
1:46 Magníficat ✠ * ánima mea Dóminum.
1:47 Et exsultávit spíritus meus: * in Deo, salutári meo.
1:48 Quia respéxit humilitátem ancíllæ suæ: * ecce enim ex hoc beátam me dicent omnes generatiónes.
1:49 Quia fecit mihi magna qui potens est: * et sanctum nomen ejus.
1:50 Et misericórdia ejus, a progénie in progénies: * timéntibus eum.
1:51 Fecit poténtiam in brácchio suo: * dispérsit supérbos mente cordis sui.
1:52 Depósuit poténtes de sede: * et exaltávit húmiles.
1:53 Esuriéntes implévit bonis: * et dívites dimísit inánes.
1:54 Suscépit Israël púerum suum: * recordátus misericórdiæ suæ.
1:55 Sicut locútus est ad patres nostros: * Ábraham, et sémini ejus in sǽcula.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. O Doctor óptime, Ecclésiæ sanctæ lumen, beáte N., divínæ legis amátor, deprecáre pro nobis Fílium Dei.
|
Canticum: Magnificat {Antiphona Votiva}
Ant. O right excellent Teacher * Light of the Holy Church, N., blessed lover of the Divine Law, pray for us to the Son of God.
Canticum B. Mariæ Virginis
Luc. 1:46-55
1:46 Hoog prijst ✠ * mijn ziel de Heer;
1:47 En mijn geest jubelde * in God, mijn Verlosser,
1:48 Omdat Hij nederzag op de geringheid van zijn dienstmaagd: * zie, van nu af zullen alle geslachten Mij zalig prijzen.
1:49 Want Hij, de Machtige, heeft grote dingen aan Mij gedaan, * en heilig is zijn Naam.
1:50 Zijn barmhartigheid rijkt van geslacht tot geslacht * over hen die Hem vrezen.
1:51 Door zijn arm volbracht Hij machtige daden: * de trotsen van harte heeft Hij verstrooid,
1:52 Machtigen onttroond, * en nederigen verheven;
1:53 Hongerigen met gaven overladen, * en rijken met lege handen heengezonden.
1:54 Opgenomen heeft Hij Israël, zijn dienstknecht, * zijn barmhartigheid indachtig,
1:55 Zoals Hij beloofd heeft aan onze vaderen, * ten gunste van Abraham en zijn geslacht voor eeuwig.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. O right excellent Teacher Light of the Holy Church, N., blessed lover of the Divine Law, pray for us to the Son of God.
|
Preces Feriales{omittitur}
|
Preces Feriales{omittitur}
|
Oratio {Votiva}
℣. Dómine, exáudi oratiónem meam.
℟. Et clamor meus ad te véniat.
Orémus.
Deus, qui pópulo tuo ætérnæ salútis beátum N. minístrum tribuísti: præsta, quǽsumus; ut, quem Doctórem vitæ habúimus in terris, intercessórem habére mereámur in cœlis.
Per Dóminum nostrum Jesum Christum, Fílium tuum: qui tecum vivit et regnat in unitáte Spíritus Sancti, Deus, per ómnia sǽcula sæculórum.
℟. Amen.
|
Oratio {Votiva}
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
Laat ons bidden.
God, Gij hebt uw volk de heilige N. als bedienaar van het eeuwig heil geschonken. Wij vragen U, laat ons in de hemel tot voorspreker hebben, die wij op aarde als leraar van het leven hadden.
Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
℟. Amen.
|
Suffragium{omittitur}
|
Suffragium{omittitur}
|
Conclusio
℣. Dómine, exáudi oratiónem meam.
℟. Et clamor meus ad te véniat.
℣. Benedicámus Dómino.
℟. Deo grátias.
℣. Fidélium ánimæ per misericórdiam Dei requiéscant in pace.
℟. Amen.
|
Conclusio
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
℣. Laat ons de Heer loven.
℟. God zij dank.
℣. Dat de zielen van de gelovigen door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
℟. Amen.
|
Et si tunc terminetur Officium, dicitur tantum Pater Noster secreto.
Pater noster, qui es in cælis, sanctificétur nomen tuum: advéniat regnum tuum: fiat volúntas tua, sicut in cælo et in terra. Panem nostrum quotidiánum da nobis hódie: et dimítte nobis débita nostra, sicut et nos dimíttimus debitóribus nostris: et ne nos indúcas in tentatiónem: sed líbera nos a malo. Amen.
|
And if thus the Office is ended, only Pater Noster is said silently.
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, en leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van het kwade. Amen.
|
|
Post Divinum officium |