Incipit
℣. Deus ✠ in adiutórium meum inténde.
℟. Dómine, ad adiuvándum me festína.
Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Allelúia.
|
Incipit
℣. God, ✠ wees bereid mij te helpen.
℟. Heer, snel mij te hulp.
Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen Amen.
Alleluia.
|
Psalmi {Psalmi & antiphonæ Votiva}
Ant. Dómine, quinque talénta * tradidísti mihi, ecce ália quinque superlucrátus sum.
Psalmus 109 [1]
109:1 Dixit Dóminus Dómino meo: * Sede a dextris meis:
109:1 Donec ponam inimícos tuos, * scabéllum pedum tuórum.
109:2 Virgam virtútis tuæ emíttet Dóminus ex Sion: * domináre in médio inimicórum tuórum.
109:3 Tecum princípium in die virtútis tuæ in splendóribus sanctórum: * ex útero ante lucíferum génui te.
109:4 Iurávit Dóminus, et non pœnitébit eum: * Tu es sacérdos in ætérnum secúndum órdinem Melchísedech.
109:5 Dóminus a dextris tuis, * confrégit in die iræ suæ reges.
109:6 Iudicábit in natiónibus, implébit ruínas: * conquassábit cápita in terra multórum.
109:7 De torrénte in via bibet: * proptérea exaltábit caput.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Dómine, quinque talénta tradidísti mihi, ecce ália quinque superlucrátus sum.
|
Psalmi {Psalmi & antiphonæ Votiva}
Ant. Lord, Thou deliverest unto me five talents * behold, I have gained beside them five talents more.
Psalmus 109 [1]
109:1 De Heer sprak tot mijn Heer: * Zit aan mijn rechterhand,
109:1 Totdat Ik uw vijanden maak * tot een rustbank voor uw voeten.
109:2 De Heer zal de scepter van uw macht doen uitgaan van Sion: * Heers te midden van uw vijanden.
109:3 Aan U de zegepraal op de dag van uw kracht in heilige luister; * uit mijn schoot heb Ik U vóór de morgenster voortgebracht.
109:4 De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: * Gij zijt priester in eeuwigheid naar de wijze van Melchisedech.
109:5 De Heer aan uw rechterhand * zal op de dag van zijn toorn de koningen verpletteren.
109:6 Hij zal de volkeren oordelen, hun ondergang voltrekken, * hun hoofden verpletteren over geheel de aarde.
109:7 Uit een beek zal Hij drinken op zijn tocht; * daarom zal Hij fier zijn hoofd verheffen.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Lord, Thou deliverest unto me five talents behold, I have gained beside them five talents more.
|
Ant. Euge, serve bone * in módico fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
Psalmus 110 [2]
110:1 Confitébor tibi, Dómine, in toto corde meo: * in consílio iustórum, et congregatióne.
110:2 Magna ópera Dómini: * exquisíta in omnes voluntátes eius.
110:3 Conféssio et magnificéntia opus eius: * et iustítia eius manet in sǽculum sǽculi.
110:4 Memóriam fecit mirabílium suórum, miséricors et miserátor Dóminus: * escam dedit timéntibus se.
110:5 Memor erit in sǽculum testaménti sui: * virtútem óperum suórum annuntiábit pópulo suo:
110:7 Ut det illis hereditátem géntium: * ópera mánuum eius véritas, et iudícium.
110:8 Fidélia ómnia mandáta eius: confirmáta in sǽculum sǽculi, * facta in veritáte et æquitáte.
110:9 Redemptiónem misit pópulo suo: * mandávit in ætérnum testaméntum suum.
110:9 (fit reverentia) Sanctum, et terríbile nomen eius: * inítium sapiéntiæ timor Dómini.
110:10 Intelléctus bonus ómnibus faciéntibus eum: * laudátio eius manet in sǽculum sǽculi.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Euge, serve bone in módico fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
|
Ant. Well done, thou good servant, * thou hast been faithful in a very little, enter thou into the joy of thy Lord.
Psalmus 110 [2]
110:1 Ik wil U loven, o Heer, uit geheel mijn hart, * in de raadskring der vromen en in de grote vergadering.
110:2 Groot zijn de werken des Heren, * berekend op al zijn wilsbesluiten.
110:3 Heerlijkheid en pracht omstralen zijn werken, * zijn gerechtigheid houdt stand in de eeuwen der eeuwen.
110:4 Hij heeft een gedachtenis gesticht voor zijn wonderwerken, de barmhartige en meedogende Heer; * spijs gaf Hij aan die Hem vrezen.
110:5 Gedachtig blijft Hij zijn verbond in eeuwigheid; * de kracht van zijn werken heeft Hij aan zijn volk getoond.
110:7 Door hun te schenken het erfdeel der heidenen; * de werken zijner handen zijn trouw en gerechtig.
110:8 Standvastig zijn al zijn geboden, vastgesteld voor altijd en eeuwig, * gevestigd op waarheid en recht.
110:9 Verlossing heeft Hij aan zijn volk gebracht; * zijn verbond voor eeuwig gevestigd.
110:9 (buig het hoofd) Heilig en ontzagwekkend is zijn Naam; * het begin van de wijsheid is de vreze des Heren.
110:10 Waarlijk wijs zijn allen, die ze beoefenen; * Hij zij geprezen in eeuwigheid.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Well done, thou good servant, thou hast been faithful in a very little, enter thou into the joy of thy Lord.
|
Ant. Fidélis servus * et prudens, quem constítuit Dóminus super famíliam suam.
Psalmus 111 [3]
111:1 Beátus vir, qui timet Dóminum: * in mandátis eius volet nimis.
111:2 Potens in terra erit semen eius: * generátio rectórum benedicétur.
111:3 Glória, et divítiæ in domo eius: * et iustítia eius manet in sǽculum sǽculi.
111:4 Exórtum est in ténebris lumen rectis: * miséricors, et miserátor, et iustus.
111:5 Iucúndus homo qui miserétur et cómmodat, dispónet sermónes suos in iudício: * quia in ætérnum non commovébitur.
111:7 In memória ætérna erit iustus: * ab auditióne mala non timébit.
111:7 Parátum cor eius speráre in Dómino, confirmátum est cor eius: * non commovébitur donec despíciat inimícos suos.
111:9 Dispérsit, dedit paupéribus: iustítia eius manet in sǽculum sǽculi, * cornu eius exaltábitur in glória.
111:10 Peccátor vidébit, et irascétur, déntibus suis fremet et tabéscet: * desidérium peccatórum períbit.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Fidélis servus et prudens, quem constítuit Dóminus super famíliam suam.
|
Ant. A faithful and wise servant * whom his Lord hath made ruler over His household.
Psalmus 111 [3]
111:1 Gelukkig de man, die de Heer vreest, * en in zijn geboden al zijn behagen schept.
111:2 Zijn nakomelingschap zal machtig zijn op aarde, * want het geslacht der vromen wordt gezegend.
111:3 Roem en rijkdom zijn in zijn huis, * en zijn gerechtigheid duurt eeuwig voort.
111:4 Voor de vromen straalt in de duisternis een licht op: * de Barmhartige, de Meedogende en Rechtvaardige.
111:5 Gelukkig de mens, die zich ontfermt en te leen geeft, en zijn woorden wikt in het gericht; * hij zal niet wankelen in eeuwigheid.
111:7 In eeuwig aandenken blijft de vrome; * voor geen kwade tijding heeft hij te vrezen.
111:7 Vast staat zijn hart in vertrouwen op God, zijn hart is onwrikbaar; * hij zal niet wankelen, totdat hij de vijand aan zijn voeten ziet liggen.
111:9 Mild deelt hij uit aan de armen, zijn gerechtigheid duurt eeuwig voort; * in luister verheft zich zijn hoorn.
111:10 De zondaar ziet het en toornt; hij knarst op de tanden, terwijl de nijd hem verteert, * maar de hoop der bozen zal vergaan.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. A faithful and wise servant whom his Lord hath made ruler over His household.
|
Ant. Serve bone * et fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
Psalmus 112 [4]
112:1 Laudáte, púeri, Dóminum: * laudáte nomen Dómini.
112:2 (fit reverentia) Sit nomen Dómini benedíctum, * ex hoc nunc, et usque in sǽculum.
112:3 A solis ortu usque ad occásum, * laudábile nomen Dómini.
112:4 Excélsus super omnes gentes Dóminus, * et super cælos glória eius.
112:5 Quis sicut Dóminus, Deus noster, qui in altis hábitat, * et humília réspicit in cælo et in terra?
112:7 Súscitans a terra ínopem, * et de stércore érigens páuperem:
112:8 Ut cóllocet eum cum princípibus, * cum princípibus pópuli sui.
112:9 Qui habitáre facit stérilem in domo, * matrem filiórum lætántem.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. Serve bone et fidélis, intra in gáudium Dómini tui.
|
Ant. Thou good and faithful servant, * enter thou into the joy of thy Lord.
Psalmus 112 [4]
112:1 Looft de Heer, gij, zijn dienaren, * looft de Naam des Heren.
112:2 (buig het hoofd) De Naam des Heren zij geprezen, * van nu af tot in eeuwigheid.
112:3 Van de opgang der zon tot haar ondergang * zij de Naam des Heren geprezen!
112:4 Hoog verheven is de Heer boven alle volkeren, * en boven de hemelen schittert zijn heerlijkheid.
112:5 Wie is gelijk aan de Heer, onze God, die in de hoge woont, * en nederziet op het geringe in de hemel en op aarde?
112:7 Die de behoeftige opricht uit het stof, * en de arme uit het slijk opheft.
112:8 Om hem een plaats te geven onder de vorsten, * onder de vorsten van zijn volk.
112:9 Die de onvruchtbare doet wonen in haar huis, * als blijde moeder van kinderen.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. Thou good and faithful servant, enter thou into the joy of thy Lord.
|
Capitulum Responsorium Hymnus Versus {Votiva}
Sir 31:8-9
Beátus vir, qui invéntus est sine mácula, et qui post aurum non ábiit, nec sperávit in pecúnia et thesáuris. Quis est hic, et laudábimus eum? fecit enim mirabília in vita sua.
℟. Deo grátias.
℟.br. Os iusti * Meditábitur sapiéntiam.
℟. Os iusti * Meditábitur sapiéntiam.
℣. Et lingua eius loquétur iudícium.
℟. Meditábitur sapiéntiam.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Os iusti * Meditábitur sapiéntiam.
Hymnus
Iste Conféssor Dómini sacrátus,
Festa plebs cuius celébrat per orbem,
Hódie lætus méruit secréta
Scándere cæli.
Qui pius, prudens, húmilis, pudícus,
Sóbrius, castus fuit et quiétus,
Vita dum præsens vegetávit eius
Córporis artus.
Ob sacrum cuius túmulum frequénter
Membra languéntum modo sanitáti,
Quólibet morbo fúerint graváta,
Restituúntur.
Unde nunc noster chorus in honórem
Ipsius, hymnum canit hunc libénter:
Ut piis eius méritis iuvémur
Omne per ævum.
Sit salus illi, decus atque virtus,
Qui supra cæli résidens cacúmen,
Tótius mundi máchinam gubérnat
Trinus et unus.
Amen.
℣. Iustum dedúxit Dóminus per vias rectas.
℟. Et osténdit illi regnum Dei.
|
Capitulum Responsorium Hymnus Versus {Votiva}
Sir 31:8-9
Blessed is the rich man that is found without blemish: and that hath not gone after gold, nor put his trust in money nor in treasures. Who is he, and we will praise him? for he hath done wonderful things in his life.
℟. God zij dank.
℟.br. The mouth of the righteous * speaketh wisdom.
℟. The mouth of the righteous * speaketh wisdom.
℣. And his tongue talketh judgment.
℟. The righteous speaketh wisdom.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. The mouth of the righteous * speaketh wisdom.
Hymnus
This the confessor of the Lord, whose triumph
Now all the faithful celebrate, with gladness
Erst on this feast-day merited to enter
Into his glory.
Saintly and prudent, modest in behaviour,
Peaceful and sober, chaste was he, and lowly.
While that life’s vigour, coursing through his members,
Quickened his being.
Sick ones of old time, to his tomb resorting,
Sorely by ailments manifold afflicted,
Oft-times have welcomed health and strength returning,
At his petition.
Whence we in chorus gladly do him honour,
Chanting his praises with devout affection,
That in his merits we may have a portion,
Now and forever.
His be the glory, power and salvation,
Who over all things reigneth in the highest,
Earth’s mighty fabric ruling and directing,
Onely and Trinal.
Amen.
℣. The Lord guided the just in right paths.
℟. And showed him the kingdom of God.
|
Canticum: Magnificat {Antiphona Votiva}
Ant. O Doctor óptime, * Ecclésiæ sanctæ lumen, beáte N., divínæ legis amátor, deprecáre pro nobis Fílium Dei.
Canticum B. Mariæ Virginis
Luc. 1:46-55
1:46 Magníficat ✠ * ánima mea Dóminum.
1:47 Et exsultávit spíritus meus: * in Deo, salutári meo.
1:48 Quia respéxit humilitátem ancíllæ suæ: * ecce enim ex hoc beátam me dicent omnes generatiónes.
1:49 Quia fecit mihi magna qui potens est: * et sanctum nomen eius.
1:50 Et misericórdia eius, a progénie in progénies: * timéntibus eum.
1:51 Fecit poténtiam in brácchio suo: * dispérsit supérbos mente cordis sui.
1:52 Depósuit poténtes de sede: * et exaltávit húmiles.
1:53 Esuriéntes implévit bonis: * et dívites dimísit inánes.
1:54 Suscépit Israël púerum suum: * recordátus misericórdiæ suæ.
1:55 Sicut locútus est ad patres nostros: * Ábraham, et sémini eius in sǽcula.
℣. Glória Patri, et Fílio, * et Spirítui Sancto.
℟. Sicut erat in princípio, et nunc, et semper, * et in sǽcula sæculórum. Amen.
Ant. O Doctor óptime, Ecclésiæ sanctæ lumen, beáte N., divínæ legis amátor, deprecáre pro nobis Fílium Dei.
|
Canticum: Magnificat {Antiphona Votiva}
Ant. O right excellent Teacher * Light of the Holy Church, N., blessed lover of the Divine Law, pray for us to the Son of God.
Canticum B. Mariæ Virginis
Luc. 1:46-55
1:46 Hoog prijst ✠ * mijn ziel de Heer;
1:47 En mijn geest jubelde * in God, mijn Verlosser,
1:48 Omdat Hij nederzag op de geringheid van zijn dienstmaagd: * zie, van nu af zullen alle geslachten Mij zalig prijzen.
1:49 Want Hij, de Machtige, heeft grote dingen aan Mij gedaan, * en heilig is zijn Naam.
1:50 Zijn barmhartigheid rijkt van geslacht tot geslacht * over hen die Hem vrezen.
1:51 Door zijn arm volbracht Hij machtige daden: * de trotsen van harte heeft Hij verstrooid,
1:52 Machtigen onttroond, * en nederigen verheven;
1:53 Hongerigen met gaven overladen, * en rijken met lege handen heengezonden.
1:54 Opgenomen heeft Hij Israël, zijn dienstknecht, * zijn barmhartigheid indachtig,
1:55 Zoals Hij beloofd heeft aan onze vaderen, * ten gunste van Abraham en zijn geslacht voor eeuwig.
℣. Eer aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.
℟. Zoals het was in het begin en nu en altijd, * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ant. O right excellent Teacher Light of the Holy Church, N., blessed lover of the Divine Law, pray for us to the Son of God.
|
Oratio {Votiva}
Kýrie, eléison. Christe, eléison. Kýrie, eléison.
Pater noster, qui es in cælis, sanctificétur nomen tuum: advéniat regnum tuum: fiat volúntas tua, sicut in cælo et in terra. Panem nostrum cotidiánum da nobis hódie: et dimítte nobis débita nostra, sicut et nos dimíttimus debitóribus nostris:
℣. Et ne nos indúcas in tentatiónem:
℟. Sed líbera nos a malo.
℣. Dómine, exáudi oratiónem meam.
℟. Et clamor meus ad te véniat.
Orémus.
Deus, qui pópulo tuo ætérnæ salútis beátum N. minístrum tribuísti: præsta, quǽsumus; ut, quem Doctórem vitæ habúimus in terris, intercessórem habére mereámur in cælis.
Per Dóminum nostrum Iesum Christum, Fílium tuum: qui tecum vivit et regnat in unitáte Spíritus Sancti, Deus, per ómnia sǽcula sæculórum.
℟. Amen.
|
Oratio {Votiva}
Heer, ontferm U over ons. Christus, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven:
℣. En leid ons niet in bekoring:
℟. Maar verlos ons van het kwade.
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
Laat ons bidden.
God, Gij hebt uw volk de heilige N. als bedienaar van het eeuwig heil geschonken. Wij vragen U, laat ons in de hemel tot voorspreker hebben, die wij op aarde als leraar van het leven hadden.
Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
℟. Amen.
|
Conclusio
℣. Dómine, exáudi oratiónem meam.
℟. Et clamor meus ad te véniat.
℣. Benedicámus Dómino.
℟. Deo grátias.
℣. Fidélium ánimæ per misericórdiam Dei requiéscant in pace.
℟. Amen.
Si descendendum sit a choro, concluditur dicendo.
℣. Divínum auxílium ✠ máneat semper nobíscum.
℟. Et cum frátribus nostris abséntibus. Amen.
|
Conclusio
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
℣. Laat ons de Heer loven.
℟. God zij dank.
℣. Dat de zielen van de gelovigen door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
℟. Amen.
Si descendendum sit a choro, concluditur dicendo.
℣. De hulp van God ✠ blijve altijd met ons.
℟. En met onze afwezige broeders. Amen.
|